Duidelijke taal nodig? Bel De Kleine Lettertjes: 06 - 28063863.

Prinsestraat

Ik zie hoe haar ogen twee keer zo groot worden. Ze kijkt alsof ze de dood ziet naderen. Maar, ik ben het maar.

Ik hobbel hier wat op mijn gemak wat rond, in de heerlijke Haagse Prinsestraat. Dadelijk misschien even bij Stromingen naar binnen. Kijken of er nog een mooie oude Gispen staat. Of een glaswerk van Copier. Aan de overkant even bij En Garde neuzen. Allemaal leuk.

Dan gebeurt het dus.

Op een tiental meters voor mij naderen mij een man en een vrouw. De vrouw kijkt langs mij heen. Haar blik verstrakt. Haar mond krijgt een vreemde trek. Ze pakt de man naast zich vast, als om hem mee te trekken en rechtsomkeert te maken. Te laat.

Achter mij hoor ik een andere man reageren.

‘Susan van der Berg! Jij hier?’

De vrouw en haar wandelgenoot zijn inmiddels zo’n beetje naast mij. De tweede man heeft hen inmiddels bereikt. Ik moet een beetje plaatsmaken op de voor vier mensen net iets te nauwe stoep. Ik blijk voor een etalage te staan die me wel bevalt, dus ik kijk naar binnen.

Achter mij hoor ik de vrouw, die zich nauwelijks nog hersteld heeft, met onvaste stem een groet uitspreken: ‘John, goh… Hoe is ‘t?’ Ze wacht het antwoord niet af, maar wendt zich tot de man naast zich. ‘Bert, dit is John. Wij zijn oud-collega’s. Jaren met elkaar op de kamer gezeten, niet, John?’

‘Dag Bert, John Bierens’, maakt de oud-collega het kennismakingsrondje compleet.

‘Verder alles goed?’, vraagt de vrouw, met een intonatie die verraadt dat ze eigenlijk direct verder wil. Ze verwacht geen antwoord op die clichématige vraag. Dit soort ontmoetingen vindt dagelijks zo vaak plaats. De opbouw is altijd hetzelfde.

Hé, hallo. Alles goed? Ja, natuurlijk gaat het top. Alles gaat altijd goed. Het kon eigenlijk niet beter. Lekker hoor. Fijn voor je. Nou, het ga je goed. En dan kun je allebei weer voorwaarts mars. Zo niet hier. John breekt met de ongeschreven wet.

‘Gut, ja, Susan. Hoe gaat ’t met me… Nou, waardeloos.’

Ik ben eigenlijk al wel uitgekeken op wat er zo in die etalage ligt, maar ik besluit het nog even aan te horen.

‘Nog drie weken. Veel meer geven ze me niet.’

Susan maakt een vreemd geluid. Ze moet zich hoorbaar even herstellen.

‘Ja. Ik kan er ook niet meer van maken’, gaar John verder.

‘Maar, je ziet er best nog goed uit!’

‘Hou op, schei uit. Het zit al overal. M’n lever. Maag. Nieren. De hele boel. Ik kom net van het laatste onderzoek. Ga nog maar een stukkie wandelen, zei de dokter. Want dat kon straks de laatste keer nog wel eens zijn. Ik ben kilo’s afgevallen. Wel twintig denk ik. Maar van de Prednison word je dan weer boller, dus het zal mekaar wel opheffen of zo. Ik weet ’t niet.’

‘Grote genade, John. Nou, ik, eeh, ik, wens je enorm veel kracht, dan nog.’

Susan geeft haar oud-collega een kneepje in de schouder. Ik zie in de weerspiegeling dat ze hiermee naar haar mening de zaak wel heeft afgedaan. Ze is van de schrik bekomen, haar lunchtijd is ook maar beperkt en ze wil waarschijnlijk nog even langs de slager verderop.

Maar John pakt de draad weer op. ‘Dat eerste onderzoek. Dàt deed me verdomme een pijn. Dan prikken ze zo’n dikke naald in je lijf. Heb je dat wel eens gehad?’

Susan en Bert schudden beiden van nee.

‘Je ziet de troep er zo uitlopen. Je eigen lichaamsvocht. Het is net of je leven uit je wegsijpelt. Dat gevoel.’

‘Vreselijk, John, nou…’

‘En als ze dan eenmaal wat gevonden hebben, dan gaan ze door, natuurlijk. Lig je daar uren in zo’n scan-apparaat. Keiharde ondergrond, tot je de blauwe plekken over je hele lijf hebt. Hier’, en John reikt naar zijn broekspijpen, ’je kunt ’t aan m’n kuiten nog zien.’

‘John, doe geen moeite joh, ik…’

De man die bij Susan stond is inmiddels al een paar meter verder gaan staan. Ik zie hoe de blik van Susan tussen hem en John heen en weer schiet. In een boekje over lichaamstaal las ik eens dat je moet kijken waar de punten van iemands schoenen heen wijzen. Staan ze gericht naar de gesprekspartner, dan is er contact. Wijzen ze een andere kant op, dan is dat de richting waarin iemand wil vertrekken. Het is een teken dat de aandacht eigenlijk al weg is. Iemand mag dan in persoon nog voor je staan, het luisterend oor is al gesloten. De punten van de schoenen van Susan staan richting slager, weggedraaid van John. Die lijkt daar geen acht op te slaan. Hij ligt op volle snelheid.

‘Wat ook zo’n zeer doet: m’n nek. Gek is dat, want daar zit niks. Tenminste, dat zeiden ze. Maar het kan ook komen van dat ik ’s nachts niet goed op deze zij kan liggen. Dat is eigenlijk mijn slaapzij. Op deze zij lig ik nooit. Dus dan ga je toch anders liggen. Verkrampter, denk ik. Ken je dat?’

‘Ja, ik, ja. Nou, eh…’

‘Dan weet je dus wat een pijn dat kan doen. Dan sta je ’s ochtends op met een stijve nek en barstende koppijn.’ Hier moet John heel even een pauze houden en slikken. Susan doet een poging in die stilte te springen.

‘Okay, nou, ik wens…’

‘Slikken. Doet ook zo’n zeer. Rook jij nog?’

‘Nee, al lang niet meer.’

‘Da’s goed. Da’s goed. Want dat is niet alleen de pest voor je longen, maar ook voor je keel. Het is dat jij steeds van mij bietste, anders had ik nog veel meer gerookt. Dan had ik nou al lang een houten jas aan gehad.’

‘He, John…’

‘Straks ga ik nog even langs het strand, denk ik. Nog één keer de zee zien. Ik ben nooit zo’n strandliefhebber geweest. En al helemaal niet in de zon liggen. Word je ook ziek van, tegenwoordig. Ga je ook dood aan, van te veel in de zon liggen. Of op een zonnebank, dat is hetzelfde natuurlijk. Doe je toch ook niet, Susan? Nee toch?’

Susan ziet zich gedwongen een antwoord te geven.

‘Nou, heel soms een zonnebankje…’

‘Moet je mee stoppen. Beloof je dat? Ja? Da’s echt niet goed, hoor. Wacht, ik heb op m’n buik een vlekje, dat had ook m’n dood uiteindelijk wel kunnen worden, als ik dat andere allemaal niet eerder had gekregen.’

John maakt aanstalten om zijn jas en overhemd te openen om het genoemde vlekje te gaan tonen. Susan is hem voor.

‘Laat maar, joh. Je vat nog kou anders.’

‘Alsof dat nog uitmaakt. Ik heb me vannacht helemaal kapot liggen blaffen. Ik zal je zeggen: ik had een plastic bak, echt, zó’n joekel van een plastic bak naast m’n bed staan. Die heb ik helemaal vol liggen spugen. Met van dat taaie slijm, dat ook zo in je keel blijft steken. M’n hele keel is rauw van het rochelen. En je krijgt die rommel ook bijna niet meer uit die bak, want ’t is net een soort lijm, een kleverige pap. Sta je toch ook raar te kijken. Want hoe spoel je dat weg? Met heet water liet ’t niet eens los. Heb ik ’t er met grote proppen keukenpapier uit moeten schrapen.’

Susan hapt naar adem.

‘En of dat nog niet genoeg is: je krijgt ook enorme rare, hoe zeg ik dat netjes, nou ja, rare grote boodschap, zeg maar. Van al die rotzooi die ik slik. M’n ontlasting geeft zowat licht. Het lijkt wel een soort glow in the dark-pap. Een rare kleur geel. Ja, God, ik lach d’r maar een beetje om, want wat moet je anders? Kan ik wel een potje gaan zitten janken, maar daar gaat het ook niet van over, allemaal. Maar om op je vraag terug te komen, nee, echt lekker gaat ’t allemaal niet. Maar joh, de zon schijnt. Deze dag pakken ze me niet meer af, toch?’

Dit lijkt Susan hèt moment om de conversatie dan toch echt af te kappen.

‘John, het spijt me echt, maar mijn pauze is al voorbij en ik kan nog net even gauw wat halen.’ Ze wil bijna haar hand op zijn mouw leggen, maar zet niet door. Haar bovenlichaam helt net iets te nadrukkelijk naar achteren. Ze geeft een spervuur van signalen van afschuw en afkeer. Haar mond zegt iets anders, ze weet het er nog uit te persen: ‘Echt, heel veel sterkte.’

‘Dank je. Ik hou me groot,’ beëindigt John dan definitief het gesprek dat een kort rendez vous had moeten zijn.

In de spiegeling zie ik Susan in hoog tempo wegdribbelen. Ze holt bijna in de richting waarin de andere man al lang verdwenen is, ver uit het zicht.

Ik draai me om en wil ook verder gaan. Dan kijk ik John recht in de ogen.

Hij kijkt mij aan, en geeft me dan een knipoog.

‘Geintje,’ zegt hij dan. ‘Oud-collega van me. Vreselijk teringwijf. Vond ik effe leuk.’

En met lichte tred huppelt hij de Molenstraat in.

 

Tekstschrijver op geheime missie voor IT Defensie

De IT van de Nederlandse Defensie is ernstig aan vernieuwing toe. Om die reden werken twee grote marktpartijen aan een ‘bid’ om die enorme klus te mogen klaren. De Kleine Lettertjes werkt voor één van de twee biedende consortia.